Stations van de plank tussen Alkmaar en Den Helder

Station Alkmaar in 1866. Regionaal Archief Alkmaar

Station Alkmaar in 1866. Regionaal Archief Alkmaar

Spoorbedrijven pakten in de negentiende eeuw flink uit met hun stations. Hoe groter en hoe meer tierelantijnen, hoe beter. Het waren in feite enorme reclameborden die reizigers moesten lokken en imponeren. Toen het Rijk zich in 1860 met de aanleg van het spoornet ging bemoeien, veranderde dat op slag. De Staat had niet zo’n behoefte aan al die aandachttrekkerij. En wat natuurlijk ook een rol speelde: ze zat krap bij kas. Alles moest zo goedkoop mogelijk.

Het Rijk liet daarom een serie stations ontwerpen die het letterlijk zó uit een la kon trekken. Alles aan die gebouwen was gestandaardiseerd. Alle vormen en maten, tot die van de ramen en deuren aan toe, waren van tevoren bepaald. Er waren variaties en uitbreidingen mogelijk, maar ook die waren vastgelegd.

Deze standaardstations bestonden uit vijf verschillende klassen. Welk type waar kwam, hing af van de grootte of het belang van de plaats. Alkmaar en Den Helder kregen een station derde klasse, wat een mooi middenmaatje was. Anna Paulowna, Schagen, Heerhugowaard en Noord-Scharwoude moesten het doen met het simpelste model, een station vijfde klasse.

Het systeem met de standaardstations werkte naar verwachting. De kosten en de voorbereidingstijd daalden tot een minimum. Het zorgde wel voor een saaie eenheidsworst langs het spoor, vooral ook omdat de verschillende klassen allemaal waren ontworpen door één architect, de waterstaatsingenieur K.H. van Brederode. In de loop van de jaren 80 van de negentiende eeuw waren de spoorbedrijven die karigheid zat en begonnen ze weer uitbundig versierde stations te bouwen. Maar toen was Alkmaar – Den Helder allang klaar.

Bijna een eeuw later, rond 1960, brak een nieuwe schrale periode aan bij de bouw van stations. Opnieuw was geldgebrek een belangrijke oorzaak. De NS kwamen diep in de rode cijfers, onder meer door de steeds snellere opmars van de auto. De spoorwegen zochten naar forse bezuinigingen en één daarvan was nieuwbouw. De oude stations waren niet erg energiezuinig gebouwd, voor het moderne vervoer onhandig ingericht en in veel gevallen inmiddels ook behoorlijk aftands. Bovendien waren ze vaak veel te groot. De oude panden stamden uit een tijd dat elk station, hoe klein ook, een eigen chef had die bij voorkeur in het gebouw woonde. Die stationschefs waren allemaal vervangen door rayonchefs, waardoor de NS opgescheept zaten met grote aantallen woningen waar ze eigenlijk geen bestemming voor hadden.

Overigens was het niet alleen narigheid en ellende waardoor de NS met kleinere stations meenden toe te kunnen. Ze lieten veel meer treinen rijden, waardoor passagiers minder lang hoefden te wachten en met aanzienlijk kleinere wachtruimten toekonden. Tegelijkertijd wilden de NS meer stations bij nieuwbouwwijken openen, in de hoop zo forenzen uit hun auto’s te lokken.

Door de bezuinigingen én door de ambities hadden de spoorwegen vanaf 1965 even geen geld meer voor aansprekende stationsgebouwen. De NS gaven hun architecten daarom opdracht opnieuw enorm versimpelde en gestandaardiseerde stations te ontwerpen. En uitgerekend in die tijd moesten veel van de stations tussen Alkmaar en Den Helder op de schop.

Net als in de negentiende eeuw bleek het keurslijf van de standaardstations al snel te krap. Veel van de gebouwen hebben inmiddels alweer een of meer uitbreidingen achter de rug, waardoor het oude ontwerp totaal is veranderd. Dus hoewel de stations bijna allemaal van de ‘plank’ zijn gebouwd, zijn ze uiteindelijk toch weer allemaal uniek.

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s